is van origine fysicus en als meteoroloog en klimaatonderzoeker werkzaam bij het KNMI. Ook hij is gefascineerd door het werk van professor Marcel Minnaert (De natuurkunde van het vrije veld), en dan met name het tweede deel: Licht en kleur in het landschap. In zijn vrije tijd houdt Können zich het liefst bezig met de waarneming van lichtverschijnselen in de vrije natuur. Zo verbleef hij ooit drie maanden in de binnenlanden van Antarctica om de daar voorkomende halo’s (lichtkringen) te bestuderen.

Dat het licht in Holland anders is dan elders in de wereld is volgens Können een gegeven. Echt heldere luchten vind je in Schotland, Antarctica en Noorwegen. Soepige luchten in het Zuiden van Europa. Maar het verhaal van het ‘Hollandse’ licht zit volgens hem een beetje ‘tussen de oren’ van de mensen. Hij staat er dan ook ambivalent tegenover. Als er al een geheim van het Hollandse licht is, dan ligt dat volgens hem aan de horizon. Het vlakke land, met in de verte die vlakke horizon, waar de wolken in elkaar schuiven… dat is uniek. Maar dat de inpolderingen van delen van het IJsselmeer het Hollandse licht zouden hebben veranderd… dat betwijfelt hij ten zeerste.